Een leven met planten

Zuurstof. Dat is de voornaamste reden dat ze er staan. Ook waaiden er doorgaans nog zoveel frisse buitenluchten door het huis, de vorige eigenaar had, deels voor de eigen met rook doorstookte longen waarschijnlijk, planten in huis om de lucht te zuiveren.

Ik, natuurliefhebber op afstand, laat zelfs een cactus nog doodgaan, en vond een goudvis ook al ernstig ingewikkeld. Niet dat ik hiermee aangeef dat een goudvis voor mij een plant is, maar mijn verzorgende karakter strekt zich niet verder uit dan de persoonlijke hygiëne. Wat betekent dat ik niet veel liefde koester voor het fenomeen ‘plant in huis’. Plant in andermans tuin = leuk. Plant in bos = mooi. Park = fijn. Ik heb me er simpelweg bij neergelegd dat dit het plantenleven is dat ik de planten te bieden heb: niets dus.

Toch is mij nu van hogerhand een plantenleven aangeboden, waarvan het universum misschien zegt: geef het een kans. Nuchter als ik ben zie ik dit als een fase van laatste rustplaats voor de planten, en ze zijn zeker niet in de bloei van hun leven, eerder in het bejaardetehuis, of nog erger: het verpleegtehuis. Een pad richting de dood. Dat hun hopelijk niet ontgaan zal zijn. Hoewel, ze misschien nog in de bloei van hun leven waren bij de vorige eigenaar. Maar een beetje inlevingsvermogen en flexibiliteit, mag ik verwachten van dit ernstig kwetsbare ras op planeet Aarde. Hopelijk hebben ze wat zelfkennis.

Akkoord, zei ik dus, bij de overdracht van de planten. Toch zeer snel ontstonden al complicaties. Ondanks mijn planten-nul-leven, gaat de stylist in mij door ongegronde paden. Ik heb toch een lichtelijke voorkeur voor de stijl en vorm. Twee van de zes exemplaren lagen bij mij meteen op een goed voetstuk: de basilicumplant en de palmboom. De overige drie vond ik toch problematisch. Ze zijn erg protserig en aanwezig. En naast wat donkerrood en bruin hier en daar alleen maar groen van kleur. Ook dat slome gehang van ze staat me niet aan. Kijk dan eens naar de palmboom, lekker strak in zijn vel, met zoveel meer flair, veel verfijnder en ook stimulerend voor de geest: strand, zon, cocktail. Kamerplant versus palmboom is C&A versus haute couture wat mij betreft.

Zoals voorspeld, verwacht en bijna overbodig om nog mee te delen, ging de basilicumplant (de meest kwetsbare en fragiele) al na twee weken richting kist. Zijn heerlijke geur was verdwenen, zijn gladde huid in rimpels veranderd en hij was er bleekjes uit gaan zien. Shocking! Bij het treurige aangezicht gebeurde er iets bij mij van binnen wat ik haast een soort plantenliefde zou willen noemen. Ik kreeg medelijden met de basilicum en vooral ook met mezelf, en besloot, geheel tegen mijn principes en eigen verwachtingen in, op de bres te springen voor deze in coma-liggende plant. Het heeft misschien geen zin meer, dacht ik, maar het ding vanaf nu de volledige aandacht geven doet in ieder geval iets goed voor mijn geweten. Mijn planten-geweten.

En  zo gebeurde het. Ik gaf het plantje een beter plekje, elke dag een beetje aandacht en water, knipte de verrotte plukjes af en zag in een paar dagen tijd de basilicumplant uit zijn coma ontwaken. De basilicumplant LEEFT!

Scoop of illusie

Op een punt van verbijstering en verwardheid verkeer ik. De oorzaak ligt bij de effecten van een ogenschijnlijk braaf pilletje. Deze algemeen geaccepteerde pil brengt mij nu al meerdere keren euforische gevoelens. Dat is opmerkelijk want het middel staat er niet bekend om én is geen drug. En om dat te weten hoef je geen expert op het gebied van coffeeshops te zijn.

Ik begin mij dan ook af te vragen of de verkregen euforische gevoelens meerdere mensen parten speelt en ik dus iets geweldig baanbrekends heb ontdekt (!) of dat het waanzin in mijn hoofd is?

Om je een beeld te geven van de ernst van de situatie; na een frusterende werkdag op vrijdag waarop ik voor de zoveelste keer die week maagpijn, hoofdpijn, spierpijn en koorts – de zogeheten griep – had die ik negeerde, nam ik deze pil in tweevoud (100mg) om de ondoorgrondelijke pijnen in mijn lichaam te laten verdwijnen of op zijn minst te verminderen. Puur om de dag te overleven. Ik overwoog om als het niet werkte direct naar huis te gaan. Nonstop visualiseerde ik mijn bed in mijn hoofd.

Maar wat gebeurde er? Ik ging niet naar bed nee. Ik ging ook niet slapen. Ik werd dolenthousiast, vrolijk, energiek en besloot na het afronden van de werkdag richting kroeg (!) te gaan met een collega. Ik had nog wel besef van de opmerkelijke situatie maar besloot dit gegeven voor lief te nemen en een lekkere slok witte wijn te nemen.

Ik kreeg het wel wat warm in de volbepakte kroeg, iets warmer dan de gemiddelde bezoeker misschien. Een zweetdruppeltje hier en daar. Doch ik vermaakte me opperbest. Dus na het beëindigen van het eerste glas en een paar bitterballen stond ik klaar voor een nieuw glas.

De avond werd afgemaakt in een kroeg op een andere locatie, en zo lag ik toen de nacht al was begonnen in bed. Ik kan je vertellen dat ik na deze belevenis tot een hoogtepunt ben gekomen qua overtuiging van de anders-dan-de-bedoeling-werking van het desbetreffende medicijn.

Gebruikelijk is om paracetamol – dat is de grote vriend waarover ik praat – te slikken wanneer men hoofdpijn, buikpijn, spierpijn heeft. Ik citeer de bijsluiter: “Dit geneesmiddel is verkrijgbaar zonder doktersvoorschrift. Mogelijke bijwerkingen: overgevoeligheid voor bepaalde stoffen (allergische reacties) zoals huiduitslag, jeukende rode plekken op de huid (galbulten) en koorts. Zelden zijn ook bloedafwijkingen afgenomen.”

Niets over ‘Ik-kan-de-wereld-aan’-gedachten, overmoedige acties, enthousiasme en een enorme energie en levenslust!

Wat op dit moment nog het meest angstaanjagende gevoel geeft is de vraag of mijn gekke reactie op paracetamol misschien zijn oorzaak vindt in mijn eigen lichaam? Dat zou geen scoop betekenen en helemaal niet meer interessant zijn voor jou als lezer, maar vooral iets schokkends zeggen over mijn eigen ‘wicked body’.

Ik tast voorlopig nog in het duister…

Steegje

Steegjes in Utrecht zijn er om doorheen te lopen, te flirten, te zoenen, je te verbazen over nieuwe restaurantjes, je te storen aan langzaamlopende breedte opvullende wandelaars, een kat gedag te zeggen, te hopen dat je snel het steegje uitbent en je te verwonderen over sterrentegels.

In een stad als Utrecht fiets ik overal. Want de bus heeft geen nut – ooit een bus gezien langs de gracht? – en dus fiets ik ook door steegjes. Op verkeersregels let ik niet, op verkeersborden evenmin. Heeft toch geen nut want niemand houdt zich aan regels als die er al zijn. Van alle kanten wandelen mensen, rennen mensen, huppelen mensen, staan mensen midden op de weg, komen ze hard of zacht aangefietst. Allemaal op weg naar hun eigen doel, dat staat voorop. Sociaal gedrag dus, anticiperen zoals dat op de snelweg heet, heeft geen nut. Dan sta je een uur te wachten totdat je kan oversteken of word je tijdens het wachten al omver geduwd en nageschreeuwd door iemand die vindt dat je in de weg staat. Blik op oneindig en kop in het zand is de beste manier om te overleven in het Utrechtse verkeer.

Zo steek ik ook graag mijn kop in het zand bij het zien van een politieagent. Hard doorfietsen, een steegje eerder afslaan, spontaan beginnen met lopen, ik pas het allemaal toe om gesprekjes met een agent te ontlopen. Want ook al heeft het geen nut, de Utrechtse politieagent probeert zo nu en dan wat orde te scheppen in het Utrechtse verkeer. Dat is zoeken naar een spelt in een hooiberg en dat weten ze, maar ja hun kopjes koffie moeten ook ergens van betaald worden en dus gaan ze de straat op om ‘doekoes’ binnen te halen.

Nu ben ik op sommige momenten helaas niet zo helder als ik op andere momenten ben. Zo ook gisteren. Toen ik na een moeizame start van de dag, met een uitgehongerd lichaam besloot mijn bibliotheekboek met boete eens terug te brengen naar zijn thuis, fietste ik door mijn meest gepasseerde steeg. De steeg met de sterren op de vloer. En wat zag ik daar. Wat blauw op straat. Mijn journalistieke interesse was meteen gewekt, wie wat waar? Winkelberoving? Iemand die flauw is gevallen? Vechtpartijtje? Ik keek de politieagent vriendelijk aan.

Maar hij keek niet zo vriendelijk terug. Eerder veelbetekenend en hij stak ineens een vingertje op: “Hierkomen.” Als een Pavlov-hond reageerde ik op het signaal: ik moest komen dus ik kwam. Een paar seconden later viel het kwartje. ‘Jááhooorr, een boete natuurlijk.’ Die blauwhelmen zaten weer uit hun neus te eten en probeerden weer eens slapend rijk te worden. Je gaat gewoon met je pakje aan de hele dag op dezelfde plek staan en wijst een paar keer met je vingertje naar wat voorbijgangers, en de dag is weer voorbij inclusief een gespekte geldkluis.

Extreme woede barste in me los. Ik ik ik!!! Kutkutkutagent met je klotepakje en misselijkmakende kop. Rot op!

Wat was ik toch dom dom dom. Braaf gehoorzamen op een politieagent is zó dom. Dom dom dom.

Maar koppig als ik ben probeerde ik nog één en ander recht te zetten. Zinnen als: “Ik heb geen geld”, “ik had het bord niet gezien”, “heeft u geld nodig ofzo?” en “gaat u die man die nu voor me fietst ook bekeuren dan”, kwamen uit mijn mond maar hadden geen zichtbaar effect. Die emotie-loze agenten ook. Geen greintje humor.

Meneer de ik-spreek-geen-goed-Nederlands-en-dat-vind-ik-normaal-agent deed er een uur over om mijn paspoort over te schrijven. Vervolgens kreeg ik de opdracht “Adres.” Na een driemalige herhaling van zijn kant vroeg ik: “Wat zegt u meneer?” Hij: “Adres. Is niet hier.” – Wijzend op mijn paspoort. – “Oooh wilt u soms mijn adres meneer?” Als ik een kat was ging mijn staart nu omhoog. Ik laste nog even een pauze in. ‘Welk adres zal ik dit keer geven?’ Toch maar gewoon braaf mijn eigen adres. Om hem te pesten sprak ik het heel snel en onverstaanbaar uit. Kon ie lekker gestresst gaan pennen.

Kotsgevoelens kwamen in me op. Als ik die man nou gewoon zijn k**bonnenboekje afpak en in de gracht gooi. En samen met die vrouw daar verderop bij de bonbonwinkel die mij al zo begrijpend aankijkt hem een keiharde duw geef, richting prullenbak. Wat zou er dan gebeuren? Zou hij daar lekker zitten tussen de frietzakken, bierblikjes en beschimmelde broodjes? Zou meneer de agent dat lekker vinden ja? Eet ie dan een weekje geen shoarma misschien? Vinden ze hem dan een looser op het bureau en moet ie dan weer terug naar zijn oude baan als putjesschepper?

Maar lieftallig als ik ben pakte ik braaf mijn paspoort weer terug, stopte het in mijn tas en zei gedag. Bah. Geen blik waardig meer gegund. Snel liep ik af op de vrouw bij de bonbonwinkel om mijn ergernissen te bespreken.

Lekker hoor, zo’n dagje niet zo helder zijn. Om te janken!!

Verschrompeling van de geest

Ik loop steeds weer tegen de lamp. Stoot me aan dezelfde steen. En vraag naar de bekende weg.

Een wirwar van woorden, vage antwoorden op serieuze vragen, onverschillige houding, ondoordachte opmerkingen. Ik zit hier niet bij de psycholoog of carrièrecoach, maar dat zou misschien geen slecht idee zijn. Hoewel ik daar dan weer te eigenwijs voor ben om er heil in te zien.

Ik kom er niet graag voor uit, maar ik heb een rare verzameling eigenschappen en het ergste is: Ik kom er maar niet vanaf. En daar kom ik al helemaal niet graag voor uit!

Wat nog erger is, is dat wat ik van anderen vraag, precies datgene is dat ik zelf in geen mogelijkheid te bieden heb: duidelijkheid.

Stond ik nu bij de levens-slager dan klonk er uit mijn mond: “Doe mij maar een portie duidelijkheid alstublieft.” De ene dag heb ik geluk, de andere dag dikke dikke pech. Dan word ik weggezet met een knakworst, of blikje Smack. En kan ik naar die verse plakjes duidelijkheid blijven snakken.

Op dat soort dagen worden mijn hersens in de ijskast gezet. In de verte zie ik wel dat er meerdere onderwerpen zijn waar je op één dag aan kunt denken, maar dat sterke willetje van me projecteert slechts op één.

Dat ene idee groeit van een bloeiende zonnebloem met sterke steel bij het opstaan, gedurende de dag of soms wel week of maand, welke de duidelijkheid duidelijk niet in haar greep heeft, uit tot een miserabel dood en uitgedroogd plantje, met zijn verschrompelde hoofdje diep weggedrukt in het zand.

Daarnaast zijn De Dagen Zonder Duidelijkheid voor mij als een pudding die je stijf probeert te krijgen, maar die na drie pogingen gewoon ten einde raad in elkaar zakt van fluffigheid. DDZD’s zijn van een categorie moeimaker, die je slechts zelden in het leven tegen komt. Tandartsmoeheid, huisartsenmoeheid en een ‘lange rij bij de kassa’-moeheid komen weliswaar in de buurt, maar examenvrees-moeheid is vermoedelijk de dichtstbijzijnde soort.

Want waar duidelijkheid ontbreekt, groeit bij mij de wirwar. Komt de wirwar tot ontploffen, dan besluit ik weleens ten einde raad en met knikkende knietjes de duidelijkheid op te eisen. Maar dat heeft dan weer het grote risico in zich dat wanneer het initiatief dan alsnog niet tot duidelijkheid leidt, ik tot een niemandsdal afdwaal waar niemand me meer uit kan trekken.

En dat is allemaal de mind. My mind. My 24/7-vermoeiende brein. Kijk en dan kan ik er een mooi verhaaltje over schrijven, maar aan het eind van het liedje heb ik nog steeds GEEN DUIDELIJKHEID!

Eenmaal op de top van wat ik geestelijk aankan, besluit ik dan vaak maar de onverschillige ik uit de kast te hangen. Ik waad me in een kleed van verdoemenis, en pluk de uitgedroogde vruchten. Dat idee, dat wordt er uitgestampt, vermorzeld en gepureerd. Daar wordt nooit en dan ook nooit meer aan gedacht. Opdat er snel een nieuw idee moge komen.

Het kind in de film – RTL5 woensdagavond…

Ik kijk graag films. Soms ook als ik het eigenlijk niet wil, zoals woensdagavond. Om een achteraf onduidelijke reden had ik mijn televisie afgestemd op Rtl5. De intentie van het aanzetten van de tv was het scheppen van wat sfeer in mijn kamer, nadat een vriendin het pand had verlaten. Alleen is ook maar zo alleen.

Toch wist ik dat tv kijken vanavond niet op het programma stond. Met een drukke dag voor de boeg had ik nog behoorlijk wat dingen te bedenken, bovendien had ik een vijftal om aandacht smachtende boeken om mij heen en veel leesbehoefte diep in mij verstopt, plus een in rommelige toestand verlate multimap op mijn bank liggen, die ogenschijnlijk keurig dichtzat, geordend en wel, maar dat was bedrog, dat wist ik ook wel.

Maar de behoefte van mensen om me heen speelde mij parten. Ik pakte, onder het mom van, dit gaat niet lang duren, mijn laptop erbij om nog even het altijd intrigerende internet een bezoekje te brengen. Dit pakte, zoals altijd, weer helemaal verkeerd uit, voor ik het wist waren we uren verder met die laptop op mijn schoot én de film aan.

Want die film pakte me om onvoorspelbare reden beet als een slak op een tak. Het kostte teveel energie en moeite om er vanaf te komen. Het verhaal ging over een man en een vrouw in een videotheek. En wat ik nu ga vertellen zal je verbazen: ik had deze film al eens gezien! Toch keek ik als een klein kind zo geboeid naar de tv. Het was een behoorlijk zoetsappig verhaal, maar de man (Ben Affleck) was een acteur die ik alweer een tijdje niet gezien had. Dat gaf me een gevoel alsof ik een nieuwe acteur trof, een nieuwe frisse wind in filmland, iets nieuws om naar te kijken. Gek genoeg lokt dat.

Maar jeminee wat was de kinderrol in Jersey Girl onrealistisch! Ik heb zelden zo’n van de wereld vervreemde kinderrol in een film gezien. De vader praatte letterlijk met zijn kind alsof het zijn vrouw was. Alles werd bediscussieerd, het kind ging overal bloedserieus op in, het kind noemde zelfs kritische punten uit haar vaders gedrag.

Oké, de beste man had zijn vrouw verloren tijdens de geboorte van het kind. Natuurlijk heel treurig dat dit gebeurd was, maar het gegeven dat hij zijn vrouw had verloren leek één van de peilers waar de film zich op berustte. Was er even een inhoudsloze scène, dan kwam het verhaal van de vrouw weer op de proppen en dan kon een omstander weer even knikken, zuchten, zijn excuses aanbieden of een onzichtbaar traantje laten.

De verhaallijn was best geinig, er ontstond een romance tussen Liv Tyler en Ben Affleck. Als er iets voorspelbaars is waar je mij mee kan pakken in een film dan is het wel een liefde. Liv speelde het onschuldige winkelmeisje, Ben de moedige man die zijn zware leven van de ondergang probeerde te redden. Maar het 7-jarige kind begon me steeds meer te irriteren. Bij elke discussie, elk gesprek, werd ze erbij betrokken alsof het een volwassene was. Ze zeurde aan één stuk door en kreeg voortdurend haar zin.

Één situatie was echt een fop. Vader wilde verhuizen en besprak dit als allereerste met zijn kind en de rest van de familie. Het kind wilde niet verhuizen en liep kwaad weg in de ruzie! Alsof kinderen dat uit eigen beweging doen! De ruzie eenmaal bijgelegd werd het scenario nog onlogischer. Het kind begreep het als papa niet tijdens haar voorstelling waar ze zo naar uit had gezien, kwam kijken. Yeah right. Ooit zoveel empathie bij een kind gezien?

Het einde van de film maakt de ongezonde gezinsverhoudingen compleet: vader en kind staan innig verstrengeld, elkaar aankijkend in schemerlicht op een dansvloer. Nee Ben, dit kind is niet je vrouw!!!

De kromme duinen

Het is alweer mei, en dat betekent voor vele vogels een ei. Wie geen vogel is, besluit in de maand mei vaak op vakantie te gaan. Of een vakantie te boeken. Een weekendje naar het strand bijvoorbeeld.

Zo ben ik vorig jaar naar een van onze schiereilanden gegaan: Schiermonnikoog. Een hartstikke geinig petitterig eilandje aan de Hollandse kust. Voor wie daar nog nooit is geweest: het eiland telt grofweg 2 snackbarretjes, max. 10 restaurants, 2 bakkertjes, 10000 vakantiewoningen, 1 supermarkt en maar liefst 4 fietsverhuurbedrijven. Want fietsen, dat is waar Schier nou echt ‘groot’ mee geworden is.

Men fietst er op los. Je kunt dan ook in een halve dag het eiland rondfietsen. Ja dan heb je alles gezien. Nu heeft het eiland naast de genoemde trekpleisters ook nog wat diamantjes. De Kobbeduinen bijvoorbeeld. Dat werd mij verteld door een ervaren eilandbezoeker. De Kobbeduinen, serieus, dat was een potje mooi, dat moest ik echt zien. Oke dacht ik. Ik vroeg nog wel waarom enzo, maar ik dacht weetje, ik laat mezelf wel verrassen.

Maar hoe heette het nou? Kobbelduinen, Koppelduin, Kruimelduinen?? Omdat ik de naam wat merkwaardig vond, sloeg ik deze plek in mijn hersenpan op als ‘Kromme Duinen’. Wel zo makkelijk.

Vol verwachting ging ik een middagje op pad, fietsend over het Duinpad, richting de Kromme Duinen. Het was snikheet. Ik had nog maar een half flesje water, maar aangezien het eiland zo klein is gokte ik dat dit voldoende zou zijn. Na een paar minuutjes fietsen in de volle zon had ik dat flesje op en vond ik het al niet leuk meer.

“Zijn we er al bijna?”, vroeg ik als een klein kind bij mama op de achterbank, aan mijn reispartner. Mijn slechte kwaliteit fiets, mijn moeheid, mijn te warme  kledij en te bleke -nog-niet-aan-de-zon-gewende huid werkten dan ook niet in mijn voordeel. Maar ik moest doorzetten, want we zouden er bijna zijn.

Hehe nou daar waren we dan. Op het hoekje van het eiland, een grote berg in zicht en een fietsenstalletje. “Wat gaan we nu doen?” , vroeg ik. “Is dit het?” Ik zag eigenlijk nog niks bijzonders maar ik hoopte dat ik er al was. Maar er werd mij verteld dat ik er nog  niet was. Nee, we moesten nu die fiets neerzetten en verder wandelen.

Leuk. Wandelen. Echt mijn favoriete bezigheid vooral in de snikhitte. “Hoe lang dan?”, vroeg ik. “Niet zo lang hoor”, klonk het. Oke dan, dacht ik. Het zal het allemaal wel waard zijn.

En dus klom ik met mijn tomaatrode koppie de heuvel op. Kom maar op met die wandeling!!

Dat klonk beter dan de werkelijkheid, ik kon met mijn warme All-Stars maar amper omhoog komen, want bij elke trap zakte ik 30 cm naar beneden. Mijn reislustige metgezel liep enthousiast voor me uit. Ik volgde dus maar. Eenmaal bovenaan, een kwartier later, dacht ik dat ik er zou zijn en dat mijn inzet beloond zou worden.

Maar voor me uitkijkende zag ik alleen een nieuwe heuvel, die nog een stukje hoger was. Het zijn echt kromme duinen dacht ik. Doorlopen dus, die hoge heuvel zal het eindpunt zijn.

Daar stond ik hoor: bovenaan de tweede heuvel. Mijn metgezel was alweer doorgelopen. “Stop, zijn we er nou al!” , riep ik. “Ja dit is het begin van de Kobbeduinen”, zei hij. Oke.

Wat ik voor me zag was een grote teleurstelling. Ik zag links, rechts, voor me en tot in de verte een enorm stuk plat land, met uitgedroogd gras en hier en daar een struikje. Het deed me denken aan de Veluwse hei. Maar dan lelijk. Hier had ik dus die oncomfortabele hete fietstocht en vermoeiende wandeling voor gedaan: een stuk uitgedroogde natuur. Ik had genoeg gezien. Ik hoefde niet zo nodig nog een rondje over dit dodelijk saaie moeras te lopen. Ik plofte neer en pakte mijn tijdschriftje. Tijd voor een chillmomentje in de zon. Nee, geen diamantje, ook geen ruwe, die Kobbeduinen. Verder is Schiermonnikoog best leuk hoor, om uit te rusten vooral.

Vies, viezer, viessstst

Ik weet niet hoe het met jou zit, maar de staking van de reinigingsmedewerkers in Amsterdam gaat me behoorlijk aan het hart. De stress-zijde van mijn hart wel te verstaan.

Het is zo’n situatie waar ik me kwaad kan maken over hoe mensen elkaar soms behandelen. Moet het nou allemaal echt zo hard tegen hard? Tegelijk voel ik me machteloos, en dat irriteert me. Hoe moeilijk kan het zijn, gewoon een paar procenten loon erbij en de boel is opgelost!! Die vuilnismannen hebben hun punt wel gemaakt, ik zit al weken in de zooi. Op Amsterdam Centraal ruik ik vieze luchtjes, zie ik bruine vlekken op de vloer, hangen de stofwolken boven me. Soms durf ik niet eens meer een steunpilaar of roltrap-leuning aan te raken, uit afkeer voor de vuiligheid.

Doordeweeks is dat nog wel uit te houden met de wetenschap dat ik toch niks betaal voor de treinreis, maar in het weekend daarentegen maak ik me extra kwaad. Vijf dagen in de week heb ik namelijk een ov-jaarkaart, maar wil ik op zaterdag even een gezellig tripje maken met de toeftoef, dan betaal ik nog hetzelfde tarief (dat toch al te hoog is) als vóór de staking en krijg ik dus letterlijk stank voor dank. Je moet je voorstellen dat ik daar met een nieuw jurkje, fris gedouched, ruikend naar een heerlijk parfummetje de trein instap om vervolgens op een stinkend stoeltje te moeten plaatsnemen. De schoonheid stroomt spontaan van me af in een dergelijk muffige coupé. IK WIL VUILIGHEIDSKORTING!

Natuurlijk is al dit geklaag van mijn kant niet relevant als er een gehele beroepsgroep slecht kan rond komen van hard werken. Maar goed, zo voel ik me ook vaak. Ik ben dan wel een jonge blom, een fris fruitig groentje in het werkveld, en kan nog bakken met geld verdienen op deze planeet, maar eerlijk hoor; ik krijg ook maar 8 euro voor een uur lang 60 koffies zetten en evenveel kopjes schoonspoelen en tig keer heen en weer lopen. Maar goed, dat is dan wel goed voor de exercise.

Nu las ik gisteren in het Parool dat de reinigingsmedewerkers het idee hebben dat de Amsterdammers achter de actie staan. Dat mag misschien zo zijn: de ‘gewone reiziger ‘ heeft helemaal niets te zeggen over hun loon, dus misschien kunnen ze in plaats van indruk op de verkeerde doelgroep te maken, wat meer bij hun eigen bazen gaan slijmen. Tja dat is my piece of cake, mijn visie, mijn nobele gedachtengang. Ik heb er dan ook totaal geen verstand van, dat geef ik eerlijk toe. Dit is wat je krijgt, als je ‘de gewone reiziger’ confronteert met iets dat niet zijn ‘cookie’ is.

Desalniettemin hoop ik van harte dat de twee partijen tot een overeenstemming kunnen komen: oftewel, dat de loonsverhoging werkelijkheid wordt. Want dat is toch waar het allemaal om draait. LOS HET OP, LOS HET OP klinkt het al maanden in mijn verstoorde hoofdje. Maar gezien het verleden heeft bewezen dat dit onmogelijk lijkt, denk ik met een brok in mijn keel aan komende vrijdag: terrorkoninginnevuilnisbelt Amsterdam. De dag dat ze, zo werd vandaag bekend, in de gehele stad gaan staken. Het is dat ik nu al grieperig ben, en dus alleen nog maar beter kan worden, maar wie dat nog niet is mag zijn borst nat maken voor een portie modder, kwijl, bier, kots en stinkende etensresten met bijbehorende bacteriën waar je u tegen zegt.

Fijne Koninginnedag!

Hangmattendag

Het leven lacht je niet altijd toe, maar kent soms mooie momenten. Lees hier het ingrijpende verhaal over een hangmatje.

door Lilian van Ooijen

Een jaar geleden werd op een plekje die maar weinig mensen kennen, een matje geboren. Het is een bijzonder matje, want hij is geboren in de grondfamilie, en dat betekent dat je leven in het teken zal staan van liggen op gras en zand, maar matje wil iets anders: hangen.

Hangen is werkelijk zijn lust en zijn leven, hoewel hij dat niet graag wil toegeven. Want als matje kun je beter accepteren waar je voor gemaakt bent. Carrièrekansen liggen niet voor het oprapen, en hangen is alleen weggelegd voor de elite in de mattenwereld. Gelukkig heeft matje veel ambitie en probeert het hangen toch in zijn leven te bereiken. Hij doet daarom veel aan uiterlijke verzorging. “Een mooie mat wordt sneller opgehangen dan een lelijke mat”; zeggen ze in de mattenwereld.

Matje heeft het al zover geschopt, om in een rijk huis te wonen. De kans op hangen is aanwezig, maar het grootste deel van zijn mattenleven brengt hij door op een kil en donker plekje. Hij is helemaal opgevouwen, in een veel te kleine kist. Dit is iets wat hem na een paar uur al spierpijn bezorgde, terwijl hij er nu al zeven maanden achter elkaar ligt. Je kunt je nauwelijks voorstellen hoe dat voelt. Een bijna onbeschrijflijke kramp in zijn hele mattenlijfje. Hij weet niet zo goed hoe hij dat kan oplossen. Eruit klimmen is simpelweg niet mogelijk. Als matje, heb je nou eenmaal weinig kracht. Door zijn mattenpatroon te tellen bijvoorbeeld, probeert hij de tijd door te komen. Het is een kwestie van overleven.

Maar vandaag, is voor matje een hele blijde dag. Vandaag mag hij zich helemaal uitstrekken en languit hangen. Want vandaag is het weer eens warm en zonnig buiten, na een barre winter. Matje werd vanochtend heel onverwachts uitgepakt, en hangt nu al uren buiten aan een boom. Matje geniet met volle teugen. Hij vind het zo heerlijk om die wind door zijn lijfje te voelen en de zon op zijn stof, liefst ook nog met de warmte van een mens die op hem hangt. Nu is matje helemaal in zijn element. Nu voelt hij zich eindelijk weer nuttig, want zonder hem had niemand kunnen hangen!

Het is een waar geluksgevoel dat matje ervaart: nu weet hij waarom de winter zo zwaar is, om in de zomer te genieten!

Reïncarnatie

Lees hier over een bijzondere reïncarnatie…

Mijn reïncarnatie in een konijn

door Lilian van Ooijen

Het was een raar moment. Nog steeds als ik er aan terugdenk. Na een jarenlang leven als mens op Aarde brak op een zekere dag het moment aan: mijn reïncarnatie als konijn. Ik was 82, toch een behoorlijk leeftijd. Niet iets om moeilijk over te doen. Ik was getrouwd geweest, had zes kinderen gekregen, 8 kleinkinderen. Ik woonde in een bejaardenflat, net buiten het centrum. Ik had een heerlijk waterbed waar ik steeds meer uren in doorbracht, want met mijn energie was het niet zo goed meer gesteld. De thuiszorg zorgde al voor mijn huishouden, heerlijk hoor. Ik hoefde me alleen nog maar te bekommeren om mijn familie en mijn eigen kleine dingetjes. Bijvoorbeeld mijn hobby punniken. Dat mis ik trouwens nog wel eens.

Het was een mooie winterdag. Het vroor, ik was de hele dag niet naar buiten gegaan. Maar dat gebeurde vaker. Rond zeven uur in de avond besloot ik maar naar bed te gaan. Een beetje zoals Sesamstraat bij mijn kleinkinderen. Ik deed daar niet moeilijk over. Je kunt wel wachten tot tien uur, maar als je om zeven uur al moe bent, wat let je dan? Later bleek dat dit mijn laatste dag is geweest. Gelukkig was mijn testament al geschreven.

Ik droomde een beetje raar. Het ging eerst over een zwembad, dat ik aan het zwemmen was met zwembandjes om. Daarna was ik in een bungalowpark. Vervolgens ging ik wandelen in het bos. En ineens was ik in een kinderboerderij beland. Alleen met één verschil: dit was echt. Ik werd wakker en keek om me heen. Ik moet nog even opmerken dat er daarvoor een korte film over mijn leven werd afgedraaid. Wat ze erover vertellen is dus echt waar. Ik waande me tijdelijk in een bioscoop. Een beetje een ouderwetse, maar dat vond ik geen probleem. De film trok mijn aandacht wel. In een beknopte compilatie werd mij uitgelegd dat ik op Aarde een heel goed mens was geweest, maar dat er hier en daar toch wat aanmerkingen op me waren. Zo had ik ooit een dierentuin bezocht en daar een varken omver geschopt omdat hij in de weg liep. Ik was drie. Hoe kon ik weten dat het dier pijn had?………

Dit is maar een gedeelte van het complete verhaal. Is jouw interesse gewekt? Laat het me weten.